Verwerkingsrichtlijnen
Verwerkingsrichtlijnen
Selecteer een of meerdere hoofdstukken om te downloaden.
Inhoudsopgave

Dekrichting, bevestiging en montage

De gevelschindels worden van rechts naar links gemonteerd en dienen per rij (in horizontale rijen) te worden gemonteerd. De verspringing van rij tot rij bedraagt 1/3 - zie 'V'-markering op de bovenste vouw van de schindels. Elke schindel wordt bevestigd met een klang en een meegeleverde ribnagel 2,8/25 (= basisbevestiging). De bevestiging van de gevelschindel XL wordt met twee klangen en twee ribnagels 2,8/25 uitgevoerd. In gebieden die bijzonder gevoelig zijn voor stormen, is een windbelastingberekening vereist en dient de bevestiging volgens de berekening te worden aangepast.

V Verspringing
H Klang
1 Bovenkant
2 Rechterkant

3 Rechtse onderhoek
4 Onderkant
5 Punt
6 Linkerkant

Opmerking

Bij montage van de gevelschindel XL wordt een verspringing van minstens 100 mm aanbevolen. Bij gelijkblijvende verspringing is een snoermaat van voordeel.

  • Horizontale afstelling van de startprofielen.
  • De gevelschindels inpassen en in de vouw schuiven.
  • Bevestig de gevelschindel met een klang en ribnagel 2,8/25 aan de uitgestanste inkeping die is gemarkeerd met een 'H'.
  • Gebruik de 'V'-markeringen op de gevelschindels om de 1/3-verdeling precies aan te houden.

Opmerking

Door de vorm van de gevelschindel ontstaat aan de achterzijde van de gevelschindel een verlaging. Houd deze verlaging ook tijdens de montage van de eerste gevelschindel in elke rij aan, door de eerste gevelschindel niet helemaal tot boven in het startprofiel of vouw te schuiven. Laat de achterzijde van de eerste gevelschindel zo ver afhellen totdat de bovenste omslag van de schindel over de volledige lengte recht doorloopt. Er mag niet over de eerste gevelschindel heen worden gelegd. Zorg ervoor dat bij aansluiting op de kielgoot de bovenste omslag van de schindel over de volle lengte recht doorloopt.