Verwerkingsrichtlijnen
Verwerkingsrichtlijnen
Selecteer een of meerdere hoofdstukken om te downloaden.
Inhoudsopgave

Startprofiel voor dakpan

Montage van het startprofiel

De overhangende rand van het startprofiel moet zich in het achterste derde deel van de goot bevinden en mag niet groter zijn dan 80 mm.
Meet vanaf de geplande bovenrand van het eerste dakpan 450 mm in de richting van de dakrand (zorg ervoor dat de overhangende dakrand tussen de 30 en 80 mm bedraagt). Breng op 150 mm (breedte startprofiel) van onderaf (= bovenrand breedte startprofiel) een markering aan.

Herhaal het proces aan de tweede zijde van de dakrand en verbind deze markeringen met een horizontaal, gekleurd touw.

Het startprofiel moet stormvast worden gespijkerd (sla een spijker in alle voorgestanste gaten). Plaats het startprofiel op zijn plaats voordat u alle voorgeboorde gaten spijkert met de meegeleverde PREFA-spijkers.

Opmerking

Hoe nauwkeuriger u de montage van het startprofiel uitvoert, des te gemakkelijker kunt u het PREFA-daksysteem vakkundig leggen.
Zorg ervoor dat het startprofiel onder de scheidingslaag wordt gemonteerd.

Startprofiel

Montage van het startprofiel

De overhangende rand van het startprofiel moet zich in het achterste derde deel van de goot bevinden en mag niet groter zijn dan 80 mm.
Het startprofiel wordt in een rechte lijn over de gehele lengte van de dakrand bevestigd door middel van een eerder uitgezette smetlijn.
Het startprofiel moet stormvast worden gespijkerd (sla een spijker in alle voorgestanste gaten).
Dit wordt gevolgd door de verticale winkelhaak.
Plaats het startprofiel op zijn plaats voordat u alle voorgeboorde gaten spijkert met de meegeleverde PREFA-spijkers.

Opmerking

Hoe nauwkeuriger u de montage van het startprofiel uitvoert, des te gemakkelijker kunt u het PREFA-daksysteem vakkundig leggen. Als hulpmiddel zijn markeringen (snoermaten) voorzien voor de betreffende PREFA-dakbedekkingen.

Zorg ervoor dat het startprofiel onder de scheidingslaag wordt gemonteerd.

Bijzonderheid bij dakpan R.16 en dakpaneel FX.12

Lijn het startprofiel met de reliëfmarkeringen naar het midden van het dak uit voor dakpan R.16 of dakpaneel FX.12.
Let er hierbij op dat het gebied voor de opstaande rand aan de zijkant (bijv. vorming windveer) niet in het vouwgebied van de dakpan R.16 of het dakpaneel FX.12 moet liggen. Verschuif indien nodig het startprofiel met een kwart van de afmeting van een dakpan R.16 of een dakpaneel FX.12.

Bijzonderheid bij daklosange 29 × 29 en daklosange 44 × 44

Lijn het startprofiel met de reliëfmarkeringen naar het midden van het dak uit.
Let er hierbij op dat het gebied voor de opstaande rand aan de zijkant (bijv. vorming windveer) niet in het midden van de daklosange van 29 × 29 of 44 × 44 ligt.
moet. Verschuif indien nodig het startprofiel met een kwart van de afmeting (1/4 van de verticale snoermaat) van een daklosange 29 × 29 of 44 × 44.

Nokzijde-afwerking en zijdelingse aansluiting

  • Buig de PREFA-dakbedekking 30 mm haaks op het dakvlak omhoog (afbeelding 1).
  • Sla de bovenrand van de originele windveerstrip op de bovenrand van de kopplank en spijker de windveerstrip vast om deze stormvast te maken (afbeelding 2).
  • In gebieden waar veel sneeuw valt, moeten de gevels conform afbeelding 3 worden gemaakt.
  • Gebruik de in afbeelding 4 getoonde variant bij een windveervorming met een verhoogde kopplank.

Bijzonderheid bij dakpan R.16 en dakpaneel FX.12

Maak een inkeping in de bovenste vouw in het gebied van de opstaande rand, zodat een haakvouw overblijft en buig de dakpan R.16 of het dakpaneel FX.12 30 mm haaks op het dakvlak omhoog.

Bijzonderheid bij dakschindel

Bij elke opstaande rand aan de linkerzijde van de dakschindel (dakrandprofielen en omranding) moeten de schuin naar beneden verlopende vouwen worden ingekeept om een capillaire werking te vermijden.

  • Markeer het gebied van de opstaande rand en de vouwtoeslag van 30 mm (afbeelding 1).
  • Dakschindel met vouwtoeslag snijden (afbeelding 2).
  • Vouwinkeping maken (afbeelding 3 en 4).
  • De ingekeepte dakschindel plaatsen en van een opstaande rand voorzien (afbeelding 5 en 6).

Varianten met ingekorte schindel of passchindel

Andere varianten zijn om de schuine vouwen met een verkorte dakschindel of met een passchindel buiten het gebied met opstaande rand te plaatsen.

Variant 1: Verkorte schindel
De laatste dakschindel voor de opstaande rand inkorten en plaatsen (afbeelding 7 + 8)

Variant 2: Passchindel
Een passchindel plaatsen, met vouwtoeslag van 30 mm snijden en voorzien van opstaande rand (afbeelding 8 + 9).

De vakkundige constructie garandeert dat het dak regenbestendig is.
Nadat de dakschindels zijn voorbereid, kan het verbindingsstuk (bijv. gevelbekleding of wandansluitgoot) worden gemaakt en in de bedekking worden verwerkt.

Bijzonderheid bij dakschindel DS.19

Bij elke opstaande rand aan de linkerzijde van de dakschindel DS.19 (gevelstrips en rand) moeten de schuin naar beneden verlopende vouwen worden ingekeept om een capillaire werking te vermijden.

  • Markeer het gebied van de opstaande rand en de vouwtoeslag van 30 mm en snijd de vouwtoeslag (afbeelding 1).
  • Vouwinkepingen maken (afbeelding 2 + 3).
  • De ingekeepte dakschindel DS.19 plaatsen en van een opstaande rand voorzien (afbeelding 4 + 5).

Variant passchindel DS.19

Een variant is om de schuine vouwen met een passchindel DS.19 buiten het gebied met opstaande rand te plaatsen.

  • Passchindel DS.19 plaatsen en de schuine vouw op de bovenste schindelomslag markeren (afbeelding 6).
  • De schindelomslag rondom de markering vrijmaken in de vorm van een halve maan (afbeelding 7).
  • Passchindel DS.19 plaatsen en bevestigen (afbeelding 8).
  • Dakbedekking van opstaande rand voorzien. Afbeelding 9 en 10:

Opmerking

De passchindel DS.19 is niet geschikt voor volledige dakbedekking.
LET OP: Het inkorten van een dakschindel DS.19 is op grond van het risico op capillaire werking niet mogelijk.

De vakkundige constructie garandeert dat het dak regenbestendig is.
Nadat de dakschindels DS.19 zijn voorbereid, kan het verbindingsstuk (bijv. gevelbekleding of wandansluitgoot) worden gemaakt en in de bedekking worden verwerkt.

Bijzonderheid bij een daklosange van 29 × 29

Voor elke opstaande rand aan de zijkant van de daklosange van 29 × 29 (dakrandprofiel en omranding) moeten de schuin naar beneden lopende vouwen aan de onderzijde worden uitgesneden en omhoog worden gebogen.

  • Markeer het gebied van de opstaande rand en de vouwtoeslag van 30 mm
  • Daklosange 29 × 29 bij de vouwtoeslag snijden en de vouwinkeping maken (afbeelding 1).
  • Felsnaad omhoogbuigen en rond snijden (afbeelding 2).
  • Ingekeepte daklosange 29 × 29 plaatsen en van een opstaande rand voorzien (afbeelding 3 + 4).

De vakkundige constructie garandeert dat het dak regenbestendig is.

Nadat de daklosanges van 29 × 29 zijn voorbereid, kan het verbindingsstuk (bijv. gevelbekleding of wandansluitgoot) worden gemaakt en in de bedekking worden verwerkt.

Bijzonderheid bij een daklosange van 44 × 44

Voor elke opstaande rand aan de zijkant van de daklosange van 44 × 44 (gevelstrips en rand) moeten de schuin naar beneden lopende vouwen aan de onderzijde worden uitgesneden en omhoog worden gebogen.

  • Markeer het gebied van de opstaande rand en de vouwtoeslag van 30 mm
  • Daklosange 44 × 44 bij de vouwtoeslag snijden en de vouwinkeping maken (afbeelding 1).
  • Felsnaad omhoogbuigen en rond snijden (afbeelding 2).
  • De schuine vouw moet aan de bovenzijde in het gebied van de opstaande rand worden ingekeept (afbeelding 3).
  • Ingekeepte daklosange 44 × 44 plaatsen en van een opstaande rand voorzien (afbeelding 4).

De vakkundige constructie garandeert dat het dak regenbestendig is.
Nadat de daklosanges van 44 × 44 zijn voorbereid, kan het verbindingsstuk (bijv. gevelbekleding of wandansluitgoot) worden gemaakt en in de bedekking worden verwerkt.

Vorming kielgoot

Variant met veiligheidskielgoot

1 Dakpan
2 Onderdak
3 Klang

4 Kielgootplaat
5 Kielgootplank

De veiligheidskielgoot is een aanbeveling van het bedrijf PREFA.
In principe beslist de installateur op basis van zijn of haar ervaring en opleiding of hij/zij een veiligheidskielgoot gebruikt. In vergelijking met normale kielgoten biedt de veiligheidskielgoot meer veiligheid met betrekking tot opstuwing in het gevoelige kielgootgedeelte.


Voordelen van de veiligheidskielgoot:

  • Bestand tegen opstuwing door de extra terugplooiing
  • Geprefabriceerd PREFA-product
  • Extra omplooiingen in het overlappende gebied
  • Capillaire kralen in het overlappende gebied
  • Betere toegankelijkheid, meer stabiliteit

Variant met handgemaakte kielgoot

1 Dakpan
2 Onderdak
3 Klang

4 Kielgootplaat
5 Kielgootplank

  • Beperk de kielgoot tot een maximale lengte van 3.000 mm.
  • De laterale watervouw moet aan beide zijden 40 mm breed worden gebogen.
  • De snijbreedte is afhankelijk van de vorm van het dak, de dakhelling en de omstandigheden en mag niet minder zijn dan 500 mm.
  • Als er sprake is van zeer verschillende dakhellingen of zeer verschillende watertoevoer, moet de kielgoot worden verdiept of worden uitgevoerd met een opstaande naad in het midden van de kielgoot.

Kielgootaansluiting

  • Bij de kielgootaansluiting wordt de af te dekken PREFA-dakbedekking met ca. 35 mm gemarkeerd en afgesneden (afbeelding 1 + 2).
  • De gemarkeerde inhaakvouw wordt omgeplooid (afbeelding 3).
  • De voorbereide PREFA-dakbedekking wordt ingehangen en geplaatst (afbeelding 4).

Bijzonderheden bij dakpan

De dekrichting moet altijd in de richting van de kielgoot worden gekozen. Dit voorkomt dat de overlappende groef omhoog buigt als sneeuw en ijs in dit gebied afglijden.

  • Lijn de dakpan uit en maak een inkeping aan de binnenrand voor de gootomslag, snijd de dakpan met ongeveer 35 mm speling af (afbeelding 1).
  • Tik de groef in het gebied van de buigrand uit en buig de dakpan 180° naar de achterzijde van de pan. De dakpan vervolgens plaatsen en met klangen vastzetten (afbeelding 2 + 3).
  • Aangezien de dakpan aan de buigrand werd uitgerekt, is het gemakkelijkst om de bedekte groef met een afgeschuinde hamergreep weer in de oorspronkelijke vorm terug te brengen. Dit voorkomt dat de dakpan krom trekt (afbeelding 4).

Bijzonderheid bij dakschindel en dakschindel DS.19

Opmerking

Bij dakschindels en dakschindels DS.19 moet in ieder geval worden voorkomen dat het snijpunt links van de goot ligt.

Dakschindels

Als het snijpunt kielgoot/schindelvoeg samenvalt met de goot aan de linkerzijde, moet bij dakschindels eerst een ingekorte dakschindel of passchindel worden gemaakt en gemonteerd.

Dakschindel DS.19

Als het snijpunt kielgoot/schindelvoeg samenvalt met de goot aan de linkerzijde, moet bij dakschindels DS.19 eerst een passchindel DS.19 (1) worden gemonteerd.
Het inkorten van een dakschindel DS.19 is op grond van het risico op capillaire werking niet mogelijk.

Bijzonderheid bij dakpan R.16 en dakpaneel FX.12

  • Als het snijpunt van de goot samenvalt met de voeg van de dakpan, dient vooraf een passtuk te worden gemaakt en gemonteerd (afbeelding 1).
    Opmerking: Het snijpunt moet in ieder geval worden vermeden bij handgemaakte kielgoten.
  • Om het snijpunt te vermijden, maakt u een passtuk van een volledige dakpan R.16 of een volledig dakpaneel FX.12 (afbeelding 2+3).
    LET OP: Kies de afmeting van het passtuk zodanig dat de montage van de sneeuwstopper niet wordt beïnvloed. De precieze uitvoering wordt duidelijk zichtbaar op de uitgelijnde sneeuwstoppers.

Opmerking

Als de veiligheidskielgoot wordt gebruikt, kan de kielgootaansluiting ook zo worden uitgevoerd dat het snijpunt van de goot/dakpanvoeg samenvalt.

Noordboom- en nokvorming

Afhankelijk van de dakconstructie en functionaliteit zijn er verschillende mogelijkheden.

Jetverluchtingsnok

De Jet-Verluchter kan worden gebruikt bij dakhellingen van 12-55°.
De originele Jet-Verluchter heeft aan beide zijden een borstplaat. Trek desondanks de dakbedekking 40 mm omhoog om een regenbestendige aansluiting te krijgen.
Bevestig de laatste (gesneden) rij dakpannen met een retourklang door middel van een directe bevestiging aan de zijkant van de golfkam van de onderliggende golf of boven de schuimrubberen wig van de Jet-Verluchter.

Montage

  • De laatste rij moet zo worden uitgelijnd dat er een luchtspleet van 80 mm ontstaat. Stel de PREFA-dakelementen ca. 40 mm verticaal op (afbeelding 1).
  • Houd uitzettingsvoegen van ca. 5 mm tussen de afzonderlijke Jet-Verluchters aan, trek vervolgens de klevende beschermfolie ca. 50 mm van de afdichtwig en buig deze naar buiten (afbeelding 2).
  • Beide aansluithulzen in het midden uitlijnen en elk met een PREFA-klinknagel Ø 4,1 mm als vast punt vastmaken (afbeelding 3).
  • Plak de afdichtwig met het reeds verwijderde afdichtvlak onder de aansluithulzen. Verwijder vervolgens de klevende beschermfolie (afbeelding 4).
  • Bevestig de nokventilatie met PREFA-afdichtschroeven (60 mm lang) op een afstand van ca. 600 mm (afbeelding 5).
    Opmerking:
    — Plaats de afdichtingsschroef bij dakpannen altijd op de top van de groef.
    — Bij dakschindels en losanges niet aan de schuine inhaakvouw bevestigen.
    Bij de FX.12 en R.16 niet aan de staande hoeknaad bevestigen.
  • Suggestie voor het monteren van het eindstuk van de Jet-Verluchter (afbeelding 6).
    Tip Eerst de afdekplaat in het randgebied monteren en 30 mm voor gevelstrips opstellen, vervolgens gevelstrips bevestigen.
  • Stel het eindstuk van de nokventilatie af en zet deze vast met een klinknagel (afbeelding 7).
  • Voorbeeld: noordboom-/noksnijverlies (afbeelding 8).

Opmerking

Zorg ervoor dat de schuimrubberen spie over de gehele lengte in contact is met de dakbedekking.

Opmerking

Bij de plaatsing van luchtafvoeropeningen aan de nokzijde van enkelwandige dakmontages kan het binnendringen van stuifsneeuw niet volledig worden uitgesloten.

Dakkapel

Bij het aansluiten van de Jet-Verluchter op de kielgoot moet de Jet-Verluchter met een sluiting worden afgesloten. Dit moet dusdanig worden uitgevoerd dat er geen regenwater vanuit het dakoppervlak in de Jet-Verluchter kan binnendringen.

Noordboom- en nokvorming met noordboom- en noklatten

Om het dak tegen stuifsneeuw te beschermen, is het absoluut noodzakelijk om de PREFA-dakbedekking in het pan- en nokgedeelte minimaal 40 mm omhoog te plooien.
Als de laatste rij dakpannen erg kort is, kan er ook een doorlopende borstplaat uit plaatmateriaal worden geïnstalleerd.

Tip Markeer het midden van de noklat met het smetkoord om het exacte verloop te garanderen.

Opmerking

Snijd de nokruiters precies in de vorm van de groeven of vouwen.

1 Afdichtingsschroef

2 Spijker

1 Afdichtingsschroef
2 Spijker

3 Borstplaat

Voorbeeld noordboom-/nokvorming

  • Snijd de twee nokruiters die over de nok lopen dusdanig dat ze elkaar ca. 10 mm aan de zijde overlappen en bevestig ze vervolgens met schroeven aan de daklatten (afbeelding 1).
  • Snijd vervolgens een halve nokruiter af zodat deze de eerste snede van de twee onderste nokruiters bedekt. Om het aanpassen van de bovenste nokruiters te vergemakkelijken, kartelt u het buitenste gedeelte van de snede zoals weergegeven op de foto (afbeelding 2).
  • Nadat u de op deze manier gemaakte nokruiter aan de noklat hebt bevestigd, kunt u verder gaan met de standaard nokruiters (afbeelding 3).

Bijzonderheid bij dakpan

Als er een doorlopende borstplaat op de dakpan wordt gemonteerd, dan moet de bovenste dakpanomslag zo worden uitgelijnd dat het mogelijk is om een rechte borstplaat in te hangen.

  • Maak een insnede in de omslag van het hoogste punt van de groef en til de omslag met het slagijzer op (afbeelding 1+2).
  • Gebruik een hamer om de groef plat te tikken, zodat een gelijkmatig open vouw ontstaat. Het is niet nodig om een insnede bij de dakpanvoeg te maken (afbeelding 3).
  • Nu kan de borstplaat probleemloos worden ingehaakt (afbeelding 4).

Bijzonderheid bij daklosange 29 × 29 en 44 × 44

Als er bij daklosanges van 29 × 29 of 44 × 44 een doorlopende borstplaat wordt gemonteerd, dan moeten voor de daklosanges van 29 × 29 of 44 × 44 eindpannen worden gebruikt. Deze maken een horizontale inhaakvouw mogelijk.

Tussen de eindpannen voor daklosange 29 × 29 dient de meegeleverde afdekstrip (1) te worden aangebracht.

Eenvoudige nokvorming met inhaakvouw

Maak een inhaakvouw nadat u de PREFA-dakbedekking hebt ingekort.

Bijzonderheid bij dakpannen

Na het inkorten van de dakpan wordt in de middelste groef een plooi gemaakt om een inhaakvouw te creëren. De plooi kan met behulp van een plooitang of een groefribmachine worden gemaakt.

Nokvorming met enkelvoudige nokkap

Als de afstand tussen de PREFA-dakbedekking en het nokpunt kleiner is dan 150 mm, kan een enkelvoudige nokkap worden gebruikt.

Vorming dakopzet

dakpan

Voor de vorming worden twee startprofielen gebruikt.

1. Startprofiel voor dakpan

2. Startprofiel gegolfd

  • Zet het eerste startprofiel (1.806 × 150 mm) zoals gebruikelijk vast.
  • Klop het tweede startprofiel (startprofiel met groeven) over de eerste rij dakpannen ter hoogte van de vouw van het hoofddakoppervlak. Breng afhankelijk van de bouwplaats een afdichtingstape aan om een opening te krijgen voor de inhaakvouw van de erboven liggende dakpan (afbeelding 1).
  • De volgende rij dakpannen kan vervolgens over de gehele breedte worden doorgelegd (afbeelding 2).

Dakpan R.16 en dakpaneel FX.12

  • Markeer een oversteek van 30 mm en snijd dakpan R.16/dakpaneel FX.12 (afbeelding 1).
  • Maak een insnede in de bovenste vouw van ca. 200 mm en maak een inkeping (afbeelding 2).
  • De bovenste inhaakvouw wordt verlopend omhoog geplooid (afbeelding 3).
  • De speling van 30 mm randen en gevelomlijsting naar binnen vouwen (afbeelding 4).
  • De in te korten dakpan R.16/het in te korten dakpaneel FX.12 bij de dakrand markeren en bijsnijden (afbeelding 5).
  • Bijgesneden dakpan R.16/bijgesneden dakpaneel FX.12 leggen (afbeelding 6).
  • Beide dakpannen R.16/dakpanelen FX.12 worden samengevouwen en de vouw wordt in het inhaakgebied omgeslagen (afbeelding 7).
  • Inhaakvouw wordt teruggebogen en met een gepatentklang bevestigd (afbeelding 8).
  • De volgende rij dakpannen R.16/dakpanelen FX.12 kan vervolgens over de gehele breedte worden doorgelegd (afbeelding 9).

Dakschindel en dakschindel DS.19

  • Indien de dakverspringing een eerste rij met ingekorte schindels vereist, moeten de dakschindels/dakschindels DS.19 worden ingekort (afbeelding 1).
  • De volgende rij dakschindels kan vervolgens over de gehele breedte worden doorgelegd (afbeelding 2).
  • Volledig bedekte dakverspringing (afbeelding 3).

Daklosange 29 x 29 en daklosange 44 × 44

In geval van dakverspringingen met een daklosange van 29 × 29 of 44 × 44 dient in de meeste gevallen een aangepaste dakrandgoot te worden vervaardigd. Daardoor kan zonder problemen met een startlosange van de daklosange 29 × 29 of 44 × 44 worden begonnen (afbeelding 1A + 1B).

Variant A: Horizontaal verlopende vouw

De volgende rij daklosanges kan vervolgens over de gehele breedte worden doorgelegd (afbeelding 2A + 2B).

Variant B: Verticaal verlopende vouw

Volledig bedekte dakverspringing (afbeelding 3A + 3B).

Aansluiting op een Ardeense dakgoot

Startprofiel 1.806 × 150 mm zoals weergegeven in de volgende afbeelding (2 bochten).