Verwerkingsrichtlijnen
Verwerkingsrichtlijnen
Selecteer een of meerdere hoofdstukken om te downloaden.
Inhoudsopgave

Sneeuwbescherming

Klik op het gewenste onderwerp om direct naar de betreffende handleiding te gaan:

Sneeuwstopper

Volgens het berekende montageschema moeten de sneeuwstoppers over het gehele dakoppervlak in elke niet-ingekorte rij worden aangebracht. (Behalve op plaatsen waar sprake is van accessoires en inbouwdelen.) Indien nodig moeten op onbeschutte locaties ook sneeuwvangers worden aangebracht. Bouwkundige installaties zoals dakkapellen, schoorstenen, etc. dienen conform de normen in acht te worden genomen.

Als aanvullende maatregel kan een sneeuwvanginstallatie of een sneeuwvangsysteem boven huisingangen en openbaar toegankelijke gebieden worden aangebracht. Op plaatsen waar dakkapellen, schoorstenen, zonnecollectoren, dakluiken, dakramen, ventilatiebuizen, markiezen etc. aanwezig zijn, kan het, afhankelijk van de locatie, zinvol zijn om extra sneeuwvangers te bevestigen (meer sneeuwstoppers of een sneeuwbeschermingsinstallatie). Monteer sneeuwstoppers volgens de geldende montageschema's, afhankelijk van de dakhelling en sneeuwbelasting. Zet elke sneeuwstopper met ten minste 2 ribnagels vast. Gebruik alleen originele sneeuwstoppers.

Vanaf een dakhelling van 45° is een combinatie van sneeuwvangsystemen en sneeuwbarrières vereist (= sneeuwvangsysteem op de dakrand).

Let op

Gebruik sneeuwstoppers nooit als leghulpmiddel.

PREFA-dakcalculator

PREFA biedt de vakman een gratis rekentool voor PREFA-sneeuwveiligheidssystemen. Indien gewenst kunt u hiervoor contact opnemen met de dienst Producttechnologie van PREFA.

Uitgangspunten

Afhankelijk van de sneeuwbelasting en dakhelling worden de sneeuwstoppers volgens onderstaande montageschema's gemonteerd. De toe te passen montageschema’s zijn weergegeven in de onderstaande tabellen. Let op, in verticale richting staat de informatie over de dakhelling en in horizontale richting de informatie over de sneeuwbelasting op de grond (sk). De voor het betreffende bouwproject in acht te nemen sneeuwlasten (sk) zijn te ontlenen aan de nationale normen en voorschriften.

Vereisten

  • De montagevoorschriften voor de sneeuwstopper moeten in acht genomen worden.
  • Voor dakmontages met h > 1,0 m is een afzonderlijk bewijs vereist.
  • Er wordt geen rekening gehouden met overhangende sneeuw!
  • Factor voor sneeuwlast met μ=0,80.

Sneeuwstoppers voor dakpannen

Sneeuwstoppers worden in het midden van de dakpanuitsparing omhoog geschoven en met minimaal 2 ribnagels vastgezet. Het gebruik van sneeuwstoppers heeft geen invloed op het aantal klangen voor de dakpannen.

In geval van dakpannen worden 2, 4 of 8 sneeuwstoppers per m² geplaatst (zie onderstaande tabel – montageschema DP1, DP2 en DP3). De eerste twee rijen moeten doorlopend worden voorzien van sneeuwstoppers.

Montageschema’s sneeuwstoppers voor dakpan

Sneeuwstopper voor dakschindel

Sneeuwstoppers worden steeds in de linker van de twee schindeluitsparingen omhoog geschoven en met minimaal 2 ribnagels vastgezet. Het gebruik van sneeuwstoppers heeft geen invloed op het aantal klangen voor de dakschindels.

In geval van dakschindels worden 2,5, 5 of 10 sneeuwstoppers per m² geplaatst (zie onderstaande tabel – montageschema DS1, DS2 en DS3). De eerste twee rijen moeten doorlopend worden voorzien van sneeuwstoppers.

Montageschema’s sneeuwstoppers voor dakschindel

Sneeuwstopper voor dakschindel DS.19

Sneeuwstoppers worden steeds in de linker van de twee uitsparingen (gemarkeerd met 'ST') van de dakschindel DS.19 omhoog geschoven en met minimaal 2 ribnagels vastgezet. Het gebruik van sneeuwstoppers heeft geen invloed op het aantal klangen voor de dakschindels DS.19.

In geval van dakschindels DS.19 worden 2, 4 of 8 sneeuwstoppers per m² geplaatst (zie tabel – montageschema DS.19 1, DS.19 2 en DS.19 3). De eerste twee rijen moeten doorlopend worden voorzien van sneeuwstoppers.

Montageschema’s sneeuwstoppers voor dakschindel DS.19

Sneeuwstopper voor daklosange 29 × 29

Sneeuwstoppers worden elk in het midden van de uitsparing van de daklosanges van 29 × 29 omhoog geschoven en met minimaal 2 ribnagels vastgezet. Indien een sneeuwstopper wordt gemonteerd, is er op deze daklosange van 29 × 29 geen extra bevestigingsklang nodig.

In geval van daklosanges van 29 × 29 worden 3, 6 of 12 st. sneeuwstoppers per m² geplaatst (zie onderstaande tabel – montageschema DR1, DR2 en DR3). De eerste twee rijen moeten doorlopend worden voorzien van sneeuwstoppers.

Montageschema’s sneeuwstoppers voor daklosange 29 × 29

sneeuwstopper voor daklosange 44 × 44

Sneeuwstoppers worden elk in het midden van de uitsparing van de daklosanges van 44 × 44 omhoog geschoven en met minimaal 2 ribnagels vastgezet. Het gebruik van sneeuwstoppers heeft geen invloed op het aantal bevestigingen voor de daklosanges van 44 × 44. In geval van daklosanges van 44 × 44 worden per m² 1,3, 2,6 of 5,2 sneeuwstoppers geplaatst (zie onderstaande tabel – montageschema DR44 1, DR44 2, DR44 3). De eerste twee rijen (startpannen voor daklosanges 44 × 44 en de eerste rij daklosanges 44 × 44) moeten overal voorzien zijn van sneeuwstoppers.

Montageschema’s sneeuwstoppers voor daklosange 44 × 44

Sneeuwstopper voor de dakpan R.16

Sneeuwstoppers worden op het gebogen reliëf op de vouw omhoog geschoven en met minimaal 2 ribnagels vastgezet. Het gebruik van sneeuwstoppers heeft geen invloed op het aantal bevestigingen voor de dakpannen R.16.

In geval van dakpannen R.16 worden per m² 1,7, 3,4 of 6,8 sneeuwstoppers geplaatst (zie onderstaande tabel of montageschema R.16 1, R.16 2 en R.16 3). De eerste twee rijen moeten doorlopend worden voorzien van sneeuwstoppers.

Montageschema’s sneeuwstoppers voor dakpan R.16

Sneeuwstopper voor het dakpaneel FX.12

Sneeuwstoppers worden op het gebogen reliëf op de vouw omhoog geschoven en met minimaal 2 ribnagels vastgezet. Het gebruik van sneeuwstoppers heeft geen invloed op het aantal bevestigingen voor de dakpanelen FX.12.

In geval van dakpanelen FX.12 worden per m² 1,7, 3,4 of 6,8 sneeuwstoppers geplaatst (zie onderstaande tabel of montageschema FX.12 1, FX.12 2 en FX.12 3). De eerste twee rijen moeten doorlopend worden voorzien van sneeuwstoppers.

Montageschema’s sneeuwstoppers voor dakpaneel FX.12

Bijzonderheid verspringing voeg bij dakpanelen FX.12

In principe worden de dakpanelen FX.12 onregelmatig gelegd met een verspringing van de verticale hoeknaad van minimaal 220 mm. Door de willekeurige verspringing van de dakpanelen FX.12 is een symmetrische legging niet mogelijk. Indien het gebruik van sneeuwstoppers voor FX.12 is gepland, wordt aanbevolen om de dakpanelen FX.12 regelmatig te laten verspringen. Dit doet weliswaar afbreuk aan het onregelmatige uiterlijk dat zo kenmerkend is voor dakpanelen FX.12, maar dit is de enige manier voor een regelmatig montageschema met sneeuwstoppers (afbeelding 1 + 2).

Sneeuwvangsysteem

De sneeuwbeschermingshaken worden met twee voetstukken op de dakbedekking gemonteerd. De inlegprofielen worden in de sneeuwbeschermingshaken geplaatst en met een bevestigingsschuif vastgezet. De inlegprofielen worden vervolgens met behulp van moffen met elkaar verbonden - totale hoogte met voetstukken: 219 mm.

Het sneeuwvangsysteem kan ook later worden gemonteerd.

Afhankelijk van het project en de locatie kan het nodig zijn om meerdere rijen sneeuwbescherming te monteren. Afhankelijk van de sneeuwbelasting, de dakhelling en de dakspantafstand moeten de maximaal toelaatbare afstanden worden berekend.

Sneeuwvangsysteem

Ondergrond

De montage van het sneeuwvangsysteem is alleen mogelijk op een stevige, vlakke en volledig dragende ondergrond.

Technische gegevens

Gemaakt van een kleurgecoate, zeer sterke aluminium legering, bestaande uit twee voetstukken met oppervlakteafdichting, sneeuwbeschermingshaken en bevestigingsschuiven, inclusief bevestigingsmateriaal

Afmetingen

Haak (H × B × D): 205 × 50 × 300 mm
Voetstuk: Buitenzijde-Ø: 87 mm, H: 14 mm
Hoogte van de sneeuwbeschermingsvoorziening: 200 mm

Opmerking

Bij alle PREFA-daksystemen kan het nodig zijn om een steunplaat te monteren (bijv. bij een vouw of golf in het gebied van de spanten). Plaats en bevestig geen voetstukken in een vouw of op de golfkam van een PREFA-dakbedekking.
LET OP: Houd de montagegebieden van de PREFA-daksystemen aan.

Onderdelen van het systeem

1 Sneeuwvanghaak
2 Afsluitprofiel
3 Eindstuk sneeuwvangsysteem
4 4 universele houtschroeven ∅ 8 × 220 mm of 8 × 120 mm
5 2 zeskantschroeven M12 × 1,5 × 16

6 2 ringen 13,0
7 3 zelftappende schroeven 5,5 × 25 mm
8 2 afdekkingen voor voetstuk
9 2 voetstukken incl. oppervlakteafdichting
10 Inlegprofielen

Benodigd gereedschap

1 Boormachine met Torx TX40 en TX25
2 Momentsleutel, dop SW19
3 Rolmaat

4 Smettouw
5 Potlood
6 Boor (∅ 4,1 mm)

Montage

Markeer het midden van de kepers. Het bovenste voetstuk (buitenrand) dient een afstand van minimaal 10 mm tot de erboven liggende vouw te hebben. Houd een afstand aan van 145 mm (gemeten aan de binnenkant) tussen de twee voetstukken (afbeelding 1).

Voor de bevestiging aan de spant moeten de boorgaten (∅ 8,5 mm) zich in de as van de haak van de sneeuwbescherming (spantbaan) bevinden – bevestigingsschroef in één as met de spant. Verwijder de beschermfolie aan de achterzijde van de voetstukken, plaats ze en plak ze op (afbeelding 2).

Opmerking

Plaats en bevestig geen voetstukken in een vouw of op de golfkam van PREFA-dakbedekkingen. Respecteer de montagegebieden van de betreffende dakproducten. Het kan nodig zijn om een steunplaat te monteren (bijv. bij een vouw of golfkam in het gebied van de spanten).

  • De schroefgaten met een boor (∅ 4,1 mm) voorboren in de onderconstructie, boordiepte: ca. 50 mm (afbeelding 3).
  • De voetstukken met 2 bevestigingsschroeven 8 × 220 mm (bij dubbelschalige constructie) of 8 × 120 mm (bij enkelschalige constructie) op de spant vastschroeven, totdat de oppervlakteafdichting tegen de dakbedekking of onderconstructie wordt aangedrukt. Bij correcte verwerking puilt de oppervlakteafdichting iets naar buiten uit (opzetstuk voor boor: Torx TX40) (afbeelding 4).
  • Bevestigen (plaatsen) van de afdekkappen op de voetstukken (afbeelding 5).
  • Montage van de haak van de sneeuwvanger met behulp van de twee zeskantschroeven (M12) op de voetstukken (SW 19; draaimoment: 35 Nm) bij dakpannen (afbeelding 6A), dakschindels (afbeelding 6B), daklosanges (afbeelding 6C), dakpannen R.16 en dakpanelen FX.12 (afbeelding  6D).
  • Inlegprofielen conform de uitsparingen in de gemonteerde haak plaatsen. De oversteek in het randgebied mag niet groter zijn dan 30 cm (afbeelding 7).
  • Na montage van de 3 inlegprofielen het afsluitprofiel van bovenaf op de haak schuiven (voorgeboord gat onderaan) (afbeelding 8).
  • Elk inlegprofiel een keer in het midden van de profiellengte met de meegeleverde zelfborende schroeven 5,5 × 25 mm TX25 (1 per inlegprofiel) vastzetten om te voorkomen dat de stangen zijwaarts verschuiven en om het uitzetten van het profiel naar links en rechts te garanderen (afbeelding 9 + 10).
  • Inlegprofielen in het voeggedeelte met de meegeleverde verbindingshulzen verbinden. De verbindingselementen zijn voorzien van een schuimrubberen element om door warmte voortgebrachte lineaire uitzetting op te kunnen vangen (afbeelding 11).

Eindstuk sneeuwvangsysteem

  • Het eindstuk van het sneeuwbeschermingssysteem over de inlegprofielen schuiven (afbeelding 1).
  • Eindstuk met de meegeleverde bevestigingsschroef vastzetten (afbeelding 2).
  • Volledig gemonteerd eindstuk van het sneeuwbeschermingssysteem (afbeelding 3).

Sneeuwvangsysteem XL

De sneeuwbeschermingshaken XL worden met twee voetstukken in de spant gemonteerd. De inlegprofielen worden in de sneeuwbeschermingshaken XL geplaatst en met een bevestigingsschuif vastgezet. De inlegprofielen worden vervolgens met behulp van moffen met elkaar verbonden - totale hoogte 360 mm.

Het sneeuwvangsysteem XL kan ook later worden gemonteerd.

Afhankelijk van het project en de locatie kan het nodig zijn om meerdere rijen sneeuwbescherming te monteren. Afhankelijk van de sneeuwbelasting, de dakhelling en de dakspantafstand moeten de maximaal toelaatbare afstanden worden berekend.

Sneeuwvangsysteem XL

Ondergrond

De montage van het sneeuwvangsysteem XL is alleen mogelijk op een stevige, vlakke en volledig dragende ondergrond.

Technische gegevens

Gemaakt van een kleurgecoate, zeer sterke aluminium legering, bestaande uit twee voetstukken met oppervlakteafdichting, sneeuwbeschermingshaken XL en bevestigingsschuiven, inclusief bevestigingsmateriaal.

Afmetingen

Haak (H × B × D): 345 × 50 × 515 mm
Voetstuk: Buitenzijde-Ø: 87 mm, H: 14 mm
Hoogte van de sneeuwbeschermingsvoorziening: 340 mm

Opmerking

Bij alle PREFA-daksystemen kan het nodig zijn om een steunplaat te monteren (bijv. bij een vouw of golf in het gebied van de spanten). Plaats en bevestig geen voetstuk in een vouw of op de golfkam van een PREFA-dakbedekking.
LET OP: Houd de montagegebieden van de PREFA-daksystemen aan.

Onderdelen van het systeem

1 Sneeuwvanghaak
2 Afsluitprofiel
3 Eindstuk sneeuwvangsysteem
4 4 universele houtschroeven ∅ 8 × 220 mm of 8 × 120 mm
5 2 zeskantschroeven M12 × 1,5 × 16

6 2 ringen 13,0
7 3 zelftappende schroeven 5,5 × 25 mm
8 2 afdekkingen voor voetstuk
9 2 voetstukken incl. oppervlakteafdichting
10 Inlegprofielen

Benodigd gereedschap

1 Boormachine met Torx TX40 en TX25
2 Momentsleutel, dop SW19
3 Rolmaat

4 Smettouw
5 Potlood
6 Boor (∅ 4,1 mm)

Montage

  • Markeer het midden van de kepers. Het bovenste voetstuk (buitenrand) dient een afstand van minimaal 10 mm tot de erboven liggende vouw te hebben. Houd een afstand aan van 360 mm (gemeten aan de binnenkant) tussen de twee voetstukken.
  • Voor de bevestiging in de spant moeten de boorgaten (Ø 8,5 mm) zich in de as van de haak van de sneeuwbescherming XL (spantbaan) bevinden - bevestigingsschroef in één as met de spant. Verwijder de beschermfolie aan de achterzijde van de voetstukken, plaats ze en plak ze op (afbeelding 1 + 2).

Opmerking

Plaats en bevestig geen voetstuk in een vouw of op de golfkam van een PREFA-dakbedekking. Respecteer de montagegebieden van de betreffende dakproducten. Het kan nodig zijn om een steunplaat te monteren (bijv. bij een vouw of golfkam in het gebied van de spanten).

  • De schroefgaten met een boor (ø 4,1 mm) voorboren in de onderconstructie, boordiepte: ca. 50 mm (afbeelding 3).
  • De voetstukken met 2 bevestigingsschroeven 8 × 220 mm (bij dubbelschalige constructie) of 8 × 120 mm (bij enkelschalige constructie) op de spant vastschroeven, totdat de oppervlakteafdichting tegen de dakbedekking of onderconstructie wordt aangedrukt. Bij correcte verwerking puilt de oppervlakteafdichting iets naar buiten uit (opzetstuk voor boor: TX40) (afbeelding 4).
  • Bevestigen (plaatsen) van de afdekkappen op de voetstukken (afbeelding 5).
  • Montage van de sneeuwbeschermingshaak XL met behulp van de twee zeskantschroeven (M12) op de voetstukken (SW 19; draaimoment 35 Nm) (afbeelding 6).
  • Inlegprofielen conform de uitsparing in de gemonteerde haak XL plaatsen. De oversteek in het randgebied mag niet groter zijn dan 30 cm (afbeelding 7).
  • Na montage van de 5 inlegprofielen het afsluitprofiel van bovenaf op de haak schuiven (voorgeboord gat onderaan) (afbeelding 8).
  • Elk inlegprofiel een keer in het midden van de profiellengte met de meegeleverde zelfborende schroeven 5,5 × 25 mm TX25 (1 per inlegprofiel) vastzetten om te voorkomen dat de stangen zijwaarts verschuiven en om het uitzetten van het profiel naar links en rechts te garanderen (afbeelding 9).
  • Inlegprofielen in het voeggedeelte met de meegeleverde aansluithulzen verbinden. De aansluithulzen zijn voorzien van een schuimrubberen element om door warmte voortgebrachte lineaire uitzetting op te kunnen vangen (afbeelding 10).

Sneeuwvangsysteem XL – Eindstuk XL

  • Sneeuwvangsysteem XL – Eindstuk XL op de inlegprofielen schuiven (afbeelding 1).
  • Eindstuk XL met de meegeleverde bevestigingsschroef vastzetten (afbeelding 2).
  • Volledig gemonteerd eindstuk XL (afbeelding 3).

IJsklauw voor sneeuwvangsysteem en sneeuwvangsysteem XL

  • IJsklauw op het inlegprofiel klemmen (ca. 4 stuks per meter) (afbeelding 1).
  • IJsklauw met de meegeleverde bevestigingsschroef vastzetten (afbeelding 2).
  • Volledig gemonteerde ijsklauw (afbeelding 3).

Let op

Bevestig ijsklauwen alleen op de plaatsen waar de dakbedekking op het dakoppervlak rust.

Bergsneeuwvanger

De sneeuwvanger wordt met twee voetstukken op het dakbedekking gemonteerd. In de steunen van de bergsneeuwvangers kunnen ronde houten palen van ca. Ø 140 mm worden geplaatst. Deze kunnen met de meegeleverde schroeven worden vastgezet. Totale hoogte van de steunen met voetstukken: 219 mm. De steunen van de bergsneeuwvangers kunnen ook later worden gemonteerd. Verkrijgbaar in alle kleuren voor PREFA-daksystemen (klein formaat).

Afhankelijk van het project en de locatie kan het nodig zijn om meerdere rijen bergsneeuwvangers te monteren. Afhankelijk van de sneeuwbelasting, de dakhelling en de dakspantafstand moeten de maximaal toelaatbare afstanden worden berekend.

Bergsneeuwvanger

Ondergrond

De montage van de sneeuwvangsteun voor berggebieden is alleen mogelijk op een stevige, vlakke en volledig dragende ondergrond.

Technische gegevens

Gemaakt van een kleurgecoate, zeer sterke aluminium legering, bestaande uit twee voetstukken met oppervlakteafdichting, steunen voor bergsneeuwvangers en bevestigingsschuiven, inclusief bevestigingsmateriaal, exclusief ronde houten palen

Afmetingen

Haak (H × B × D): 205 × 50 × 300 mm
Voetstuk: Buitenzijde-Ø: 87 mm, H: 14 mm
Hoogte van de sneeuwbeschermingsvoorziening: 184 mm

Opmerking

Bij alle PREFA-daksystemen kan het nodig zijn om een steunplaat te monteren (bijv. bij een vouw of golf in het gebied van de spanten). Plaats en bevestig geen voetstukken in een vouw of op de golfkam van een PREFA-dakbedekking.
LET OP: Houd de montagegebieden van de PREFA-daksystemen aan.

Onderdelen van het systeem

1 sneeuwvangsteun voor berggebieden
2 2 afdekkingen voor voetstuk
3 2 voetstukken incl. oppervlakteafdichting
4 1 spaanplaatschroef SPS 5 × 60 mm

5 2 zeskantschroeven M12 × 1,5 × 16
6 2 ringen 13,0
7 4 universele houtschroeven Ø 8 × 120 mm
8 4 universele houtschroeven Ø 8 × 120 mm

Benodigd gereedschap

1 Boormachine met Torx TX40 en TX25
2 Momentsleutel, dop SW19
3 Rolmaat

4 Smettouw
5 Potlood
6 Boor (∅ 4,1 mm)

Montage

  • Markeer het midden van de kepers. Het bovenste voetstuk (buitenrand) dient een afstand van minimaal 10 mm tot de erboven liggende vouw te hebben. Houd een afstand aan van 145 mm (gemeten aan de binnenkant) tussen de twee voetstukken (afbeelding 1).
  • Voor bevestiging aan de spant moeten de boorgaten (Ø 8,5 mm) in de voetstukken in de as van de sneeuwbeschermingssteunen (= spantbaan) zitten - bevestigingsschroef in één as met de spant. Verwijder de beschermfolie aan de achterzijde van de voetstukken, plaats ze en plak ze op (afbeelding 2).

Opmerking

Plaats en bevestig geen voetstuk in een vouw of op de golfkam van een PREFA-dakbedekking. Het kan nodig zijn om een steunplaat te monteren (bijv. bij een vouw of golfkam in het gebied van de spanten).

  • De schroefgaten met een boor van ∅ 4,1 mm voorboren in de onderconstructie, boordiepte ca. 50 mm (afbeelding 3).
  • De voetstukken met 2 Bevestigingsschroeven 8 × 220 mm (bij dubbelschalige constructie) of 8 × 120 mm (bij enkelschalige constructie) op de spant vastschroeven, totdat de oppervlakteafdichting tegen de dakbedekking/onderconstructie wordt aangedrukt. Bij correcte verwerking puilt de oppervlakteafdichting iets naar buiten uit (opzetstuk voor boor: Torx TX40) (afbeelding 4).
  • Bevestigen (plaatsen) van de afdekkappen op de voetstukken (afbeelding 5).

Montage van de steensneeuwvanger met behulp van de twee zeskantschroeven (M12) op de voetstukken (SW19; draaimoment: 35 Nm) bij dakpannen (afbeelding 6A), dakschindels (afbeelding 6B), daklosanges (afbeelding 6C), dakpannen R.16 en dakpanelen FX.12 (afbeelding  6D).

  • Ronde houten palen overeenkomend met de diameter van de bergsneeuwvangersteun (Ø ca. 140 mm) plaatsen en vastzetten met een schroef (5 × 60 mm). De oversteek in het randgebied mag niet groter zijn dan 30 cm (afbeelding 7 + 8).

Opmerking

Tussen de ronde houten palen en de dakbedekking kan soms ijs en sneeuw naar beneden glijden. Indien nodig kunnen extra sneeuwstoppers of individueel vervaardigde ijsvangers worden aangebracht (geen standaardproduct van PREFA).