Klik op het gewenste onderwerp om direct naar de betreffende handleiding te gaan:
Schoorsteenomlijstingen worden vakkundig en op voor plaatsers van metalen daken gebruikelijke wijze uitgevoerd. Bereid de staande naadverbindingen voor het bevestigen van de zijgoot voor door de PREFA-dakbedekking (30 mm) omhoog te buigen.
1 Retourklang |
2 Borstplaat |
Na montage van de dakpan moet de bovenste dakpanomslag zo worden uitgelijnd dat het mogelijk is om een recht voorste deel in te hangen (afbeelding 1-4).
De lengte van het zijstuk is afhankelijk van alle dakelementen en vouwtoeslagen. Haak het zijstuk aan de onderkant in de dakpan.
In het bovenste gedeelte moet het zijstuk boven de bovenste dakpanomslag uitsteken.
Bij variant 1 – 150 mm
Bij variant 2 – 70 mm
Achterste deel
Tip
We raden aan om een snoermaat ook bij kleinere schoorstenen of omlijstingen te gebruiken.
Ter voorbereiding op het voorste deel van de omlijsting dienen voor daklosanges van 29 × 29 of 44 × 44 eindpannen te worden gelegd. Deze maken een horizontale inhaakvouw mogelijk zodat de omlijsting een regenbestendige aansluiting krijgt. Bevestig elke eindpan voor daklosanges van 29 × 29 met behulp van 1 gepatenteerd anker en voor daklosanges van 44 × 44 met behulp van 2 gepatenteerde klangen.
Wanneer de eindpannen voor de daklosanges 29 × 29 worden gelegd, dient de meegeleverde afdekstrip boven de daklosangeklang 29× 29 te worden gemonteerd (afbeelding 1 + 2).
Zijstuk
De lengte van het zijstuk is afhankelijk van alle dakelementen en vouwtoeslagen. Haak het zijstuk aan de onderkant in de PREFA-dakbedekking. In het bovenste gedeelte moet het zijstuk boven de bovenste dakpanomslag uitsteken.
Markeer de daklosanges 29 × 29 en 44 × 44 afhankelijk van de breedte van de omlijsting of afhankelijk van de vereiste snede, neem 30 mm extra toe voor de opstaande rand aan de zijkant en zijranden en snijd de daklosange af (afbeelding 3). Voor elke opstaande rand aan de zijkant van de daklosanges moeten de schuin naar beneden lopende vouwen aan de onderzijde worden uitgesneden en omhoog gebogen (afbeelding 4-6).
De schuine vouw aan de bovenzijde moet in het gebied van de opstaande rand conform afbeelding 6 worden ingekeept.
Achterste deel
Vouw de verticale vouwen van de zijstukken in het bovenste gedeelte om (afbeelding 10) en knip het achterste deel en de zijstukken af met een speling van 30 mm (afbeelding 11). Maak de omslag - nu kunnen boven de omlijsting startpannen voor daklosanges 29 × 29 of 44 × 44 worden gemonteerd en kan de bedekking van het dakoppervlak worden voortgezet.
Trek de dakschindel en de dakschindel DS.19 zo ver omhoog tot de laatste rij van de PREFA-dakbedekking onder de schoorsteen kan worden doorgelegd.
Opmerking
Bij elke opstaande rand aan de linkerzijde van de dakschindel en de dakschindel DS.19 moeten de schuin naar beneden verlopende vouwen worden ingekeept om een capillaire werking te vermijden.
De vakkundige constructie garandeert dat het dak regenbestendig is.
Bereid de omlijsting voor (achterste deel en zijstuk) en bevestig deze aan de zijstukken met behulp van retoursluitingen aan de onderconstructie (afbeelding 10 + 11).
Vouw de verticale vouwen van de zijstukken in het bovenste gedeelte om en knip het achterste deel en de zijstukken af met een speling van 30 mm. Maak de omslag – nu kan boven de omlijsting de bedekking van het dakoppervlak worden voortgezet (afbeelding 12 + 13)
Voorste deel
Dek de dakpan R.16 of het dakpaneel FX.12 zo ver omhoog tot de laatste rij van de PREFA-dakbedekking onder de schoorsteen kan worden doorgelegd.
De lengte van het voorste deel is afhankelijk van alle dakelementen en vouwtoeslagen. Haak het voorste deel aan de onderkant in de PREFA-dakbedekking.
Maak een inkeping in de bovenste vouw in het gebied van de opstaande rand, zodat een haakvouw overblijft en buig de dakpan R.16 of het dakpaneel FX.12 30 mm haaks op het dakvlak omhoog (afbeelding 3 en 4).
Bij het achterste deel van de omlijsting wordt de bovenste inhaakvouw van de te leggen dakpan R.16 of het te leggen dakpaneel FX.12 ca. 200 mm ingesneden en losgemaakt. De inhaakvouw wordt naar achteren omgebogen en de overstek aan de zijkant wordt 90° omhoog gebogen (afbeelding 5+6). Het bovenste deel van de omlijsting wordt geplaatst.
Voor de gangbare enkele ramen van Velux en Roto zijn er vanuit PREFA geprefabriceerde omrandingen voor een snelle en passende montage.
Omlijsting dakraam
Technische gegevens |
Kleurgecoat aluminium |
|---|
Opmerking
De opstaande rand van de dakbedekking tot aan de zijnaden wordt bepaald door de omlijsting. Plaats daarom het voorste en achterste deel op het dakraam en markeer de positie van de opstaande rand.
LET OP: Als de dakhelling minder dan 20° is, moeten de dwarsnaden en overlappende voegen van de omlijsting extra worden afgedicht.
Neem bij de verwerking de PREFA-verwerkingsrichtlijnen en de gangbare technische normen en veiligheidsvoorschriften in acht.
Trek de PREFA-dakbedekking zo ver omhoog tot de laatste rij van de PREFA-dakbedekking onder het dakraam kan worden doorgelegd.
Nadat de dakpannen tot de gewenste positie van de omlijsting van het dakraam zijn gemonteerd, moet de bovenste dakpanomslag zo worden uitgelijnd, dat het mogelijk is om het voorste deel van de omlijsting van het PREFA-dakraam erin te hangen.
Bij elke opstaande rand aan de linkerzijde van de dakschindel en de dakschindel DS.19 moeten de schuin naar beneden verlopende vouwen worden ingekeept om een capillaire werking te vermijden.
De vakkundige constructie garandeert dat het dak regenbestendig is.
Aansluiting aan de voorzijde
Ter voorbereiding op het voorste deel van de omlijsting van het dakraam dienen voor daklosanges van 29 × 29 of 44 × 44 eindlosanges te worden gelegd. Deze maken een horizontale inhaakvouw mogelijk zodat de omlijsting een regenbestendige aansluiting krijgt.
Aansluiting aan de zijkant
Voor elke opstaande rand aan de zijkant van de daklosange van 29 × 29 en 44 × 44 moeten de schuin naar beneden lopende vouwen aan de onderzijde worden uitgesneden en omhoog gebogen.
De vakkundige constructie garandeert dat het dak regenbestendig is.
Achterste deel
Om een waterpas inhaakvouw voor een regenbestendige aansluiting van de omlijsting achter het dakluik te creëren, dienen voor daklosanges van 29 × 29 of 44 × 44 eindlosanges te worden gelegd.
Nu kunnen boven de omlijsting startlosanges voor daklosanges 29 × 29 of 44 × 44 worden gemonteerd en kan de bedekking van het dakoppervlak worden voortgezet.
Om de aansluiting op het onderdak of op de scheidingslaag mogelijk te maken, wordt de omlijsting van het dakluik niet op het houten kozijn voorgemonteerd.
Opmerking
Minimale dakhelling voor dakluiken: 12°, de minimale dakhelling van de betreffende PREFA-dakbedekking dient in acht te worden genomen.
LET OP: Het dakluik is alleen geschikt voor geventileerde (onverwarmde) dakruimtes.
De dakbedekking tot de gewenste positie van het dakluik leggen.
LET OP: Houd rekening met de positie van de spanten.
Nadat de dakpannen tot de gewenste positie van het dakluik zijn gemonteerd, moet de bovenste dakpanomslag zo worden uitgelijnd, dat het mogelijk is om het voorste deel van de omlijsting van het daklicht erin te hangen.
Maak een inkeping in de bovenste vouw in het gebied van de opstaande rand, zodat een haakvouw overblijft en buig de dakpan R.16 of het dakpaneel FX.12 30 mm haaks op het dakvlak omhoog (afbeelding 1 en 2).
Bij elke opstaande rand aan de linkerzijde van de dakschindel en de dakschindel DS.19 moeten de schuin naar beneden verlopende vouwen worden ingekeept om een capillaire werking te vermijden.
De vakkundige constructie garandeert dat het dak regenbestendig is.
Aansluiting aan de voorzijde
Ter voorbereiding op het voorste deel van de omlijsting van het dakluik dienen voor daklosanges van 29 × 29 of 44 × 44 eindlosanges te worden gelegd. Deze maken een horizontale inhaakvouw mogelijk zodat de omlijsting een regenbestendige aansluiting krijgt.
Aansluiting aan de zijkant
Voor elke opstaande rand aan de zijkant van de daklosange van 29 × 29 en 44 × 44 moeten de schuin naar beneden lopende vouwen aan de onderzijde worden uitgesneden en omhoog gebogen (afbeelding 1,2,3 + 4).
Achterste deel
Om een waterpas inhaakvouw voor een regenbestendige aansluiting van de omlijsting achter het dakluik te creëren, dienen voor daklosanges van 29 × 29 of 44 × 44 eindlosanges te worden gelegd.
Nu kunnen boven de omlijsting startlosanges voor daklosanges 29 × 29 of 44 × 44 worden gemonteerd en kan de bedekking van het dakoppervlak worden voortgezet.
Doorvoerplaten voor daklosange 29 × 29 (1), daklosange 44 × 44 (2), dakpan R.16 en dakpaneel FX.12 (3) en dakschindel DS.19 (4) hebben de afmetingen van het betreffende PREFA-daksysteem en kunnen eenvoudig in de dakbedekking worden verwerkt.
Opmerking
Let op de juiste positionering van de buisdoorvoer door de onderconstructie.
Verder moet de doorvoer door of inbinding in div. bouwelementlagen (onderdak, thermische isolatie, luchtdichte laag...) vakkundig volgens nationale normen en voorschriften worden uitgevoerd.
De doorvoerplaat voor dakpannen heeft de vorm van een halve dakpan met een ingefelste conische doorvoer.
Als de positie van de doorvoer is aangegeven en op grond daarvan de doorvoerplaat niet kan worden gebruikt, kunnen buisdoorvoeren worden gerealiseerd met behulp van een doorvoerplaat om te felzen. Doorvoerplaten zijn geschikt voor buisdoorvoeren van Ø 80–125 mm.
Afhankelijk van het daksysteem strekt de doorvoerplaat zich uit over 1 tot 2 rijen en kan op een willekeurige plaats aan de zijkant worden gemonteerd.
Voor de montage van de doorvoerplaat moeten bij daklosanges van 29 × 29 of 44 × 44 begin- en eindlosanges worden gelegd.
Deze maken een horizontale inhaakvouw mogelijk zodat de doorvoerplaat een regenbestendige aansluiting krijgt.
Als alternatief voor de doorvoerplaat om te felzen kan ook een steun in de steunplaat worden gefelst en deze kan in de dakbedekking worden bedekt. De aansluiting op de dakbedekking gebeurt net als bij de doorvoerplaat om te felzen door middel van opstaande naden (afbeelding 1+2).
Als de doorvoerplaat vanwege de vorm en omstandigheden van de doorvoer (bijvoorbeeld schotelantenne of antenne) er niet op kan worden geschoven, kan een tweedelige universele doorvoerplaat worden gebruikt. De aansluiting op de dakbedekking gebeurt net als bij de doorvoerplaat om te felzen door middel van opstaande naden.
In principe hebben doorlopende ventilatieopeningen de voorkeur. Als dit voor het specifieke project niet mogelijk is, kunnen selectieve luchtafvoeropeningen (verluchtingsluiken) worden gebruikt. In de laatste rij of aan de noordbomen wordt het benodigde aantal gelegd.
Houd er rekening mee dat vaak een groot aantal verluchtingsluiken moet worden gebruikt om de door de normen voorgeschreven luchtafvoerdoorsneden te bereiken. Let erop dat de gladde of stucco uitvoering past bij de gebruikte PREFA-dakbedekking. Bij een volle bebording moet de bebording voldoende worden uitgesneden in het gebied van de verluchtingsluikopening.
Ventilatiedoorsnede van het verluchtingsluik: ~ 30 cm²
Bebording en scheidingslaag moeten worden uitgesneden volgens de ventilatiediameter (diameter ~10 cm). De dakbedekking moet rondom de randen van de uitsparingen worden voorzien van een opstand van 1 cm hoog.
1 Spanten |
6 tussenlaag |
Voor het doorvoeren van buizen en kabels, voor doorvoeren tot ca. 38,5 mm. Het doorvoeren van buizen en kabels en/of de inbinding ervan in div. bouwelementlagen (onderdak, thermische isolatie, luchtdichte laag...) moeten vakkundig volgens nationale normen en voorschriften worden uitgevoerd.
Opmerking
Bij alle PREFA-daksystemen kan het nodig zijn om een steunplaat te monteren (bijv. als een vouw of golfkam in het montagegebied ligt). Plaats en bevestig geen zonnepaneelluik in een fels of op de golfkam van een PREFA-dakbedekking.
Tip
Rubberen onderdelen die aan beweging onderhevig zijn, moeten worden behandeld met de meegeleverde talk om de glij-eigenschappen te verbeteren. Om het plaatsen van het zonneluik te vereenvoudigen, raden we aan de gegolfde pijp eerst 90° in de richting van de dakrand te buigen. Inclusief doorvoerbuisjes 1 × Ø 32–35 mm en 2 × Ø 10 mm.
Een steunplaat kan de basis vormen voor de montage van een sneeuwbeschermingssysteem, enkele treden, dakveiligheidshaken of andere accessoires, bijvoorbeeld als zich een fels of golfkam in het gebied van de spanten bevindt. Bevestig het betreffende accessoire niet in een fels of op de golfkam van een PREFA-dakbedekking.
1 Sneeuwvangsysteem |
4 tussenlaag |
Bijzonderheid bij dakpannen
Nadat de dakpannen tot de gewenste positie van de steunplaat zijn gemonteerd, moet de bovenste dakpanomslag zo worden uitgelijnd, dat het mogelijk is om de steunplaat erin te hangen.
Bijzonderheid bij dakpan R.16 en dakpaneel FX.12
Aansluiting aan de zijkant
Maak een inkeping in de bovenste vouw in het gebied van de opstaande rand, zodat een haakvouw overblijft en buig de dakpan R.16 of het dakpaneel FX.12 30 mm haaks op het dakvlak omhoog (afbeelding 1 en 2).
Achterste deel
Bijzonderheid bij dakschindel en dakschindel DS.19
Bij elke opstaande rand aan de linkerzijde van de dakschindel en de dakschindel DS.19 moeten de schuin naar beneden verlopende vouwen worden ingekeept om een capillaire werking te vermijden.
De vakkundige constructie garandeert dat het dak regenbestendig is.
Bijzonderheid bij daklosange 29 × 29 en 44 × 44
Aansluiting aan de voorzijde
Voor de montage van de steunplaat moeten bij daklosanges van 29 × 29 of 44 × 44 begin- en eindlosanges worden gelegd. Deze maken een horizontale inhaakvouw mogelijk zodat de omlijsting een regenbestendige aansluiting krijgt (afbeelding 1).
Aansluiting aan de zijkant
Voor elke opstaande rand aan de zijkant van de daklosange van 29 × 29 en 44 × 44 moeten de schuin naar beneden lopende vouwen aan de onderzijde worden uitgesneden en omhoog gebogen.
De vakkundige constructie garandeert dat het dak regenbestendig is.
Achterste deel
Er kan alleen inhoud uit één productcategorie worden gedownload. Als u inhoud uit meerdere categorieën nodig hebt, maak dan voor elke productcategorie een aparte download aan.